Geluk

Geluk is het naar hartenlust ontdekken van nieuwe dingen, maar het niet erg vinden, of zelfs verlangen naar thuis, het terugkeren. Hiermee bedoel ik dat er constant een ongeremde nieuwsgierigheid moet zijn, die soms nog dat tikkeltje extra aangewakkerd wordt. Door nieuwe ontmoetingen, nieuwe situaties of nieuwe interesses, ongeacht of ze positief of negatief zijn, je een blij of een bedroefd gevoel geven.

Met terugkeren naar huis, de thuisbasis, bedoel ik niet alleen het concept van bakstenen muren en een dak boven je hoofd. Het zijn de personen, dieren of dan toch materiële objecten die je een onvoorwaardelijk gevoel van veiligheid geven. Ik denk niet dat iemand oprecht gelukkig kan zijn zonder een minimum aan zekerheid. De liefde van je ouders, hechte vrienden die een vangnet vormen.

Geluk hoeft niet te bestaan uit extremen, maar omvat ook niet de constantheid waarin sommigen gevangen geraken. Geluk is bovendien iets griezelig persoonlijk. We bepalen niet bewust waar we ons op het spectrum van uit en thuis positioneren. De kloof tussen willen dat het zo is en geluk effectief voelen kan te groot zijn om hoofd en hart te doen samensmelten.

Geluk, dat is de balans tussen oud en nieuw, tussen hoog en laag, tussen jezelf kennen en jezelf leren kennen.

tussen naïef enthousiasme en bedachtzame ervaring

Ik sta aan een tijdelijke tramhalte in een voor mij onbekende omgeving. Het groene bos is sinds enkele uren pikzwart geworden en auto’s razen aan hoge snelheid voorbij. Het eenzame wachten en het late uur maken me een beetje nerveus. Er komt een jongetje op het perron gelopen. Hij draagt een trainingspak en heeft een voetbaltas over zijn schouder hangen. Veel te jong om hier zo laat op dit uur rond te lopen, denk ik. Een hangjongere. “Stopt de tram hier?” vraag ik hem. “Ja hoor, ik moet die ook nemen”.

Hij komt naast mij zitten. “Ik ben een beetje bang” zegt hij voorzichtig. Ik moet lachen en zeg hem dat we dan samen bang zullen zijn. Dat ik de buurt ook niet zo aangenaam vind, maar dat ik blij ben dat hij ook dezelfde kant op moet. “Vandaag heb ik mijn eerste voetbaltraining achter de rug. Normaal gezien moet je drie keer langskomen voor je geselecteerd wordt, maar ik ben binnen”. Hij glundert. Twaalf jaar is hij. Zijn telefoon gaat. Hij stelt zijn moeder gerust. “Mama is bezorgd. Ze belt me nu echt heel veel.” Ik slik de vooroordelen die ik eerder had in en vervloek mezelf dat ik me er überhaupt weer schuldig aan heb gemaakt.

Op de tram ratelt hij vrolijk verder, afgewisseld met het geruststellen van zijn moeder. “Ik zit nu in het zesde leerjaar, maar ga volgend jaar naar de sportschool. Ik mocht ook Latijn gaan studeren van de juffrouw, maar ik wil echt graag professioneel voetballer worden. Daar kan ik nu best al voor beginnen oefenen”. Zijn oudere broer voetbalt al langer. Het jongetje hoopt net zo goed te worden als hem. Als ik hem vraag of hij al weet bij welke ploeg hij later wil voetballen, zegt hij dat het hem niet uitmaakt. “De ploegen die mij kiezen, hé”.

Bij elke halte stelt hij mij gerust. Hij telt mee hoeveel haltes ik nog moet blijven zitten tot we bij het Centraal Station zullen aankomen. Het jongetje vraagt me of ik misschien wil dat hij een halte te ver afstapt. Zo kan hij mij de weg wijzen. Dat aanbod sla ik af. Ik bedank hem voor zijn oprechte vriendelijkheid en zeg hem dat ik blij ben dat ik hem ben tegengekomen. Ik wens hem een mooie toekomst als voetballer toe. Hij kijkt nog één keer achterom voor hij afstapt en glimlacht lief.

Zijn woorden zinderen na. De met naïviteit doordrenkte uitspraken raken mij tot diep in mijn binnenste. Het is een zwart-wit contrast met een gesprek dat ik enkele weken geleden voerde met een man van middelbare leeftijd. Hij vertelde dat jonge mensen zo ontzettend hard geloven in de maakbaarheid van de wereld. We willen het anders doen dan zij die ons voorgingen. Hij omschreef hoe jonge mensen zich profileren als wereldverbeteraars, maar na enkele maanden in het feitelijke werkleven uiteindelijk toch vaak belanden in een bepaald stramien. “Als je ouder bent, zie je patronen”.

Over enkele maanden studeer ik af. Voor de allereerste keer in mijn leven weet ik niet wat de volgende stap zal zijn. Dat is gewoonweg zo ontzettend spannend. Gemotiveerd om alles eruit te halen wat erin zit, maar gewaarschuwd voor het vallen in een standvastig ritme. Door de nuchtere woorden van de man liet ik mijn hoofd onlangs zakken. Hoewel de bedachtzame ervaring eigenlijk tot doel had om mij te motiveren, kon ik voor mezelf niet meer goed uitmaken wat mij dan net zou onderscheiden van anderen. Ik voelde me lid van een kudde groene blaadjes die in de toekomst keihard  het deksel op de neus zou krijgen. Dankzij het jongetje steek ik mijn borst weer trots vooruit.

Hij wordt later professioneel voetballer. En ik kan alles worden wat ik wil.

 

herfstblues

Mijn blik wordt gezogen naar een kleurrijke “Act, Don’t React” in een voor de rest industriële omgeving in vijftig tinten grijs. Een boodschap verborgen ergens ver voorbij Lokeren en vlak voor Gent Dampoort, tussen vervallen gebouwen van ooit glorierijke fabrieken. Het is nog vroeg in de ochtend. De zon lijkt nu al besloten te hebben om niet te schijnen vandaag en de regen tikt chagrijnig tegen de ruiten. In de trein zelf domineert een collectief ochtendhumeur luidruchtig de stilte.

En hoezeer die warme tapijten op het eerst nog zo groene gras mij ook verwonderen, ook ik heb last. Last van de stilaan snijdende koude, last van de donkere avonden, last van het vallend blad.

Ik mis het rondrijden tussen het lavendelrijke landschap. Waarbij de wapperende wind door onze haren ervoor zorgde dat onze gedachten werden uitgeschakeld en alleen de ogen nog het werk deden.

Ik vergeet nooit de strenge stem van een vermoeide buurvrouw, die ons er rond middernacht op wees dat niet iedereen gediend was met giechelende vriendinnen en sappige anekdotes. Waarna we onze glazen wijn mee naar binnen namen, onze lichte zomertruitjes inruilden voor korte pyjamabroekjes en dansten op muziek van jeugdidolen alsof er geen volgende morgen meer zou zijn.

Ik geniet nog na van het moment dat we de drukke Gentse Feesten verlieten voor een spontane plons in de Blaarmeersen. Op ons geheime plekje. Hoe we schrokken toen we er langs de andere kant weer uit werden geroepen door een opzichter en hoe we schaterlachten toen we in onze geïmproviseerde zwemkledij stuntelend rond de vijver terugkeerden.

Ik ontdekte dat het slapen op een kleine oppervlakte mij een soort vrijheid bood dat ik nooit eerder gevoeld had. In een tent van lage kwaliteit, met een zwakke zaklamp en een fort van dekens en truien, voelden frisse nachten hartverwarmend. Ik zag hoe de warme gloed van de ondergaande zon ons onhandig tot een thuis getransformeerd grasveldje betoverde. Ook eten, bereid op gammele gasvuurtjes, was nooit eerder zoveel sterren waard.

De conducteur wekt mij vriendelijk na mijn dagdroom en knipoogt wanneer ik hem mijn vervoersbewijs geef. Ik berg de herinneringen, samen met de zomerkriebels weer op in mijn hart.

Al heel wat vrolijker fluit ik zachtjes de herfstblues.

 

 

 

Lentejeuk

Deze lenteperiode wordt -in een ideale wereld, aangezien de studenten onder ons  momenteel immers een grote proportie van hun tijd achter hun boeken besteden- geassocieerd met aangename temperaturen en prachtige fauna en flora. Mensen slurpen ’s middags, verstopt achter een zonnebril, op terrasjes van hun glazen ‘Chateau Printemps’. Ook ’s avonds blijven ze, nog lang nadat de zon en maan een positionswitch deden, buiten nagenieten van de overvloed aan vitamine D.

Om exact 04:59 echter, besloot een neveneffect van de zomerse schoonheid mij na enkele subtiele aanvallen, bruusk te terroriseren. Ik liep naar de spiegel en ontdekte een ravage aan bulten op mijn hand, bovenarm, wang en een vreemde rode bult die deed uitschijnen dat ik een adamsappel had. Onder het ‘make love, not war’ motto, besloot ik terug in bed te kruipen, mijn aangetaste wang naar mijn kussen te richten en mij als vredevolle oplossing zoveel mogelijk af te schermen van toekomstige aanslagen van het eenmans-muggenleger.

Maar ze gaf niet op. Alsof het beestje de zeven vette jaren* achter de rug had en nu vele hongerige monden diende te voeden, zoemde ze intimiderend rond mijn oor en haalde ze naast het bloed uit mijn lichaam, ook het bloed van onder mijn nagels uit. Het kleine onschuldige muggetje werd een olifant en ik besloot om mij ambitieus te wagen aan wat men de kunst van het stropen noemt.

En vijf minuten later stond ik daar dan. Met een door vermoeidheid nog schaapachtige blik tevreden te staren naar wat zich net nog als wolf profileerde. Gewikkeld en verpletterd in mijn moordwapen, een schattig servetje.

Dag lentejeuk, hallo lentekriebels.

* Die zeven vette jaren zijn hypothetisch, uiteraard. Mijn vriend Google vertelde me onlangs dat de levensduur van een mug maar twee luttele wittebroodsweken inhoudt.

De kleine dingen

Verrimpelde vingers na lang ontspannen neerliggen in een warm bad. De avontuurlijke triomftocht van een verdwaalde regendruppel op een aangedampte autoruit. Het sierlijk naar beneden dwarrelen van een aardegekleurd herfstblad. Kaneeltinten die je neus binnendringen bij het aansnijden van een vers gebakken appeltaart.

Pretoogjes die nog veel meer herinneren dan alleen de enthousiaste woorden van de verhalenverteller. Het perfect genesteld wakker worden in lakens die de avond ervoor nog zo stug aanvoelden. Een boeket kleurrijke lentebloemen op de houten keukentafel. Het uitdoen van je jasje op een zonnige dag.

Knetterend haardvuur dat overstemd wordt door het ontkurken van een fles. Het zachtjes omhoog krullen van mondhoeken als reactie op wat je zonet zei. Omgeploegde weilanden bij een spontane fietstocht. Een oprechte glimlach van een wildvreemde. Een moment van stilte.

 

 

Eerbetoon

Het is vader-dochter-tijd. Een winterse zaterdagavond, midden januari. Papa en ik liggen samen genesteld in een zetel. Ik onder een dekentje en met mijn hoofd op zijn buik, terwijl hij beschermend zijn hand op mijn schouder heeft gelegd. Hij had het me die middag al gezegd. We zouden samen ‘Les Misérables’* kijken, een film die onlangs een stempel op hem gedrukt had.

Mijn papa kan zoals geen ander gewone dagdagelijkse rituelen omtoveren in krachtige, emotionele momenten. Zo resulteerde het samen beluisteren van een klassiek muzieknummer al verschillende keren in een trillende onderlip en een innige omhelzing. Ook het leren autorijden werd na enkele ritten richting Deurne eerder intense Quality Time dan een stressvol ontwijken van gevaar.

De hoofdpersonages vullen de ruimte met hun melodieuze argumenten en zingen om ter luidst de volgens hen correcte levensvisie. Revolutionaire helden sterven en een onschuldig jongetje neemt daarbij het voortouw. Voor de slechteriken verschijnt er daarom heel even licht aan het einde van een ellenlange tunnel. Er wordt goedheid gezien in wat reeds goed was; de schurk spelt zijn waardevolle broche op een levenloos lichaampje.

Papa’s volslanke, schuddende buik wiegt mijn hoofd op en neer en besmet me met dezelfde emoties. Tranen worden de vrije loop gelaten en ik zoek met mijn hand naar de zakdoek die ik al voor de film klaargelegd had. We zijn beiden snel geraakt, maar een eerbetoon is de achillespees van mijn vaders emotionele stabiliteit.

Het zette me aan het denken de afgelopen dagen. Wat is de definitie van eerbetoon? Omvat dat croqueskes maken op zondagmiddag voor een katerend lief of heeft dat enkel betrekking op grootse gebaren die naar het heldhaftige neigen? Is eerbetoon het omhelzen van vrienden bij blij weerzien of het groeten van een kist van te vroeg heengegane geliefden?

De alom bekende en betrouwbare Van Dale omschrijft eerbetoon naar behoren neutraal als “blijk van verering”. Een omschrijving die alle wegen open laat en daarbij de kracht van het begrip bevestigt. Eren zit zowel verweven in een lach als in een traan.

In de fictiereeks ‘het Eiland’ zei men ooit: “In het woord delegeren zit het woord eren”. Als grote fan vul ik deze wijsheid maar al te graag aan en wil ik vermelden dat dit ook zo is bij de woorden ‘accentueren’, ‘appreciëren’ én ‘waarderen’.

Eren is het prijzen van het groene gras van de buurman, zonder zelf te zoeken naar middelen om je eigen tuin een nieuwe boost te geven. Daarbij maakt het niet uit of jij en je buurman eigenaars zijn van een stadstuintje, of een immens groot natuurdomein.

(*) De film Les Misérables is, samen met vele gelijknamige musicals en varianten, een creatieve bewerking van de legendarische roman van Victor Hugo. Twintig jaar lang heeft Hugo aan het boek gezwoegd. Een verhaallijn met een sterk moreel karakter dat sinds de 19e eeuw en tot op de dag van vandaag mensen intrigeert en inspireert.

Het perron

Drie roltrappen lager dan de begane grond, het koffiekraampje en de drukbezochte Keyserlei ergens laat in de avond. Enkele mensen verzameld op het perron, druk bezig met hun telefoon of starend naar het fel verlichte informatiebord. Nog enkele minuten voor de reis huiswaarts zich verder zal zetten. Ik zie..

Het jonge meisje, grijnzend naar het scherm van haar gsm. Een gescheurde jeans, oversized trui en witte sneakers. Het subtiel glimmen van haar beugel bij het openen van haar mond verraadt haar leeftijd. En ook dat ze tot over haar oren verliefd is, voor de allereerste keer.

De vage bekende in de verte. Me wederzijds mijdend omdat elkaar begroeten een brug te ver lijkt, hoewel we al jaren bevriend zijn op sociale media. Want Facebook is een wereld van likes en liefde en alomvattend community-gevoel, in de echte wereld draait het om selectiviteit en variërende vormen van vriendschappelijke bescheidenheid.

De oververmoeide werknemer. Gekleed in maatpak en druk bezig met de laatste e-mails. Hij die een uurtje later tevreden de voordeur zal sluiten en zich veilig zal voelen in zijn eigen territorium. Waar hij het dreigend hijgen van de werkdruk in zijn nek bij het tuinhek zal achterlaten en het de volgende morgen op dezelfde plek weer zal oppikken met een zucht. Waar hij zijn drie jonge kinderen omhelst en zijn vrouw kust, die al dat werk meer dan waard zijn.

De arrogante vijftiger. Hoog met haar neus in de lucht, neerkijkend op de anderen. Met een she has it all- attitude en het persoonlijke recht op de meest comfortabele zitplaats. Trots als een pauw, maar eerder lijkend op een veredelde kip met felgekleurde veren. Haar onzekerheid verstopt in een heel erg donker hoekje, dat af en toe ’s nachts aanvalt wanneer de muren op haar afkomen. Eenzaamheid als chronische ziekte, maar dat hoeven de anderen niet te weten.

De oude man, ongecompliceerd en tevreden als neutrale uitdrukking op zijn verrimpelde gezicht. Lezend in zijn dagelijkse krant, met de sport als favoriete rubriek. Want toen hij nog jong en atletisch gebouwd was, noemde hij voetbal zijn grote liefde en was de koers op zondag een vast patroon. Met een vrouw die hem steunde door dik en dun en vele vrienden die de hobby’s met hem deelden. Naasten waarvan hij de afgelopen jaren al regelmatig afscheid van heeft moeten nemen, maar zo gaat het leven en dat accepteert hij.  

Ik kijk graag naar mensen omdat ik zowel voltooide scenario’s als mogelijke toekomstige wendingen zie. Ik zie keuzes en confrontaties, warmte en verdriet. Ik zie reflecties van mijn eigen angsten en mijn eigen levensdoelen in de houding van anderen.

Ik kijk graag naar mensen omdat niemand enkel datgene is wat hij of zij uitstraalt. Omdat ons voorkomen topjes van een ijsberg zijn waar we zelf de omvang niet van kennen.

Ik kijk graag naar mensen omdat we allen mensen zijn.
Zo verschillend. Zo hetzelfde.