Hoe ‘IS’ het?

Het begon vrijdagavond toen een vriendin haar gsm oplichtte. Het was het gespreksonderwerp aan tafel op zaterdagmiddag. Zondag toonde het kleine televisiescherm in de keuken op het werk de nieuwste updates. Vanmiddag deed ik mee met vele anderen en hield ik om 12u als eerbetoon een minuut lang mijn mond. Zonet opende een leerling voor me even de online startpagina van een krant op haar laptop. 3 opschriften omringd door felrode kaders kondigen de onheilspellende agendasetting van de terroristen aan.

De berichtgeving over de aanslagen doordringt elke porie van ons lichaam tot het ons verstikt en we kampen met een negatief wereldbeeld. Dat sommige landen en gebieden gewoonweg niet getoond worden is jammer genoeg deels een politieke kwestie en heeft te maken met ons verlangen naar proximiteit, maar dat terzijde.

Toen ik deze morgen de trein opstapte, flitsten heel even potentiële rampscenario’s voorbij. Ook heb ik mezelf er op betrapt dat ik zenuwachtig lijkende personen in het Centraal Station van top tot teen in me opnam, waarbij ik specifieke aandacht schonk aan de borstkas en of de bovenkleding netjes aansloot.

Ik vind het eng dat het kleine veilige dorpje waarin ik ben opgegroeid onderdeel uitmaakt van een immens grote wereld waar naties op dit moment beslissingen nemen die de volgende jaren drastisch zullen beïnvloeden. En dat terwijl de wereld een dorp geworden is waar een tiental visies domineren en ons verplichten een standpunt in te nemen ten opzichte van dat wat gebeurd is, en dat wat nog komen zal.

Ik zit gevangen in een contradictorische situatie. Enerzijds wil ik alles weten over de evoluties, ik wil op de hoogte zijn van wat er gaande is en mezelf voorbereiden op acties die mogelijk volgen. Anderzijds ben ik gehecht aan mijn coconnetje van goedgelovigheid. Genesteld in naïviteit en warm gehouden door naastenliefde.

Want daar is het rustig en het antwoord op de vraag ‘Hoe is het?’ ongetwijfeld positief. In mijn coconnetje vormen mensen een eenheid waar onderlinge diversiteit als positief wordt aanzien. Ongeluk en onrecht zijn daar zo goed als onbestaande. Zelfs op vrijdag de 13e. 

.

Snoozen

Ik hou ervan hoe we elkaar slaperig terugvinden wanneer ’s morgens de wekker gaat. Hoe hij zijn armen zachtjes om me heen slaat. Hij me dichter naar zich toetrekt en zo een warm deken vormt. Beschermd tegen de harde rode cijfers. Nog niet klaar voor het felle licht dat weerspiegeld wordt in de badkamertegels en al helemaal niet klaar voor het koude water in m’n gezicht. Nog geen zin in dat wat ik neergepend heb in m’n agenda en nog geen behoefte aan sociaal contact.

Een kus op mijn hoofd en een glimlach op mijn gezicht. Nog geen zin in het herfstweer en al helemaal niet in de vele regendruppels. Als een rupsje met uitstelgedrag die de vrije vlinder nog eventjes op zich laat wachten.

Ik hou ervan hoe we, zonder woorden, beslissen om nog eventjes te blijven liggen. Héél eventjes. Nog één keertje snoozen.

Voor eeuwig gevangen

Zoals elke donderdagochtend zette ze zich neer op de grijze steen in het parkje. Een stukje Gent waar het dorpsgevoel de stadsmentaliteit overmeesterde en de rust relatief goed behouden werd. Elke week drongen de kinderen in de pittoreske school vlakbij – die genoten van hun kwartiertje vrijheid en ontspanning- minder tot haar door. Ze was de aanstekelijke vrolijkheid van lachende snoetjes gewoon geworden. Dromerig staarde ze naar het kerkje, met een blikje goedkoop bier in haar linkerhand. Haar medicatie voor een verkoudheid die nooit over leek te gaan.

De zon verstopte zich schuchter achter de eeuwenoude bomen die langzaam transformeerden van vrolijk groen naar intens bruin. De herfst loerde om de hoek en koude wintermaanden zouden weldra volgen. Tijden van verandering en evolutie, maar niet voor haar. Want terwijl de vrouw velen om zich heen stappen voorwaarts zag zetten, voelde zij zich gevangen door de mentale kwelling van het stil blijven staan. Geteisterd door de gevolgen van haar ooit zo beïnvloedbare karakter en de onstabiele omgeving waarin ze zich had moeten ontwikkelen tot een zelfstandige vrouw.

Ze wilde het wel, maar wist niet hoe. Kansen grijpen, zichzelf verzorgen, mensen vertrouwen. Ze had het nooit gedaan of het snel weer afgeleerd. Jaren geleden had men haar gestraft voor enkele naïeve stommiteiten. Ze werd in de gevangenis gewezen op haar fouten en gebreken. De tot dan toe nog onbekende normen en waarden werden opgedrongen. En hoewel de eenzaamheid sluw aanviel op verscheidene onverwachte tijdstippen, werd haar hoofd op lange termijn helderder. Gedurende die geïsoleerde maanden had de ambitie door haar aderen gestroomd. Ze had vaak gedagdroomd over haar tweede kans, haar zoektocht naar warmte en haar hernieuwde plek in de ooit zo brutale samenleving.

Maar daar zat ze dan. Maanden na vrijlating nog steeds op die grijze steen in dat parkje in Gent. Gegrepen  door een vicieuze cirkel die alleen maar neerwaarts leek te gaan. Versterkt door blikken van afgrijzen wanneer mensen voorbij wandelden. Afkeurend, beoordelend. Ze had de moed verloren om zich ertegen te verzetten. De eerste trede richting het leven waar ze oorspronkelijk zo op hoopte was zodanig hoog dat ze er absoluut geen idee van had hoe deze op te klauteren.

Want hoe moet je jezelf integreren in een wereld die je niet kent?

Het Verenigingsleven

Ik opende de donkerbruine deur en wandelde de zaal binnen. Verbaasde blikken begroetten me vriendelijk. “Ben je al zo vroeg? Wij zijn nog aan het eten. Wil je ook een boterhammetje?”. Verschillende generaties van vrouwen zaten rond de tafel en ik vervolledigde de tijdlijn. Deze bestond uit sprongen van telkens tien levensjaren, tussen de twintig en ergens voorbij de tachtig. Allemaal op diezelfde plek om verse groentjes te snijden voor wat ‘de soep van Mieke’ wordt genoemd. Al jaren befaamd en geliefd door iedereen die er ooit een lepel van at. Met kwaliteitslabel ‘op grootmoeders wijze’. En veel ‘ballekes’ natuurlijk.

Het weekend stond voor de deur, met een driedaags festijn op de agenda. Georganiseerd door de vereniging waar ik sinds klein af aan deel van uitmaak, om de kas te spijzen die de rest van het jaar voor extra ademruimte zal zorgen. Elk jaar iets minder bezoekers, maar dat is logisch. De gebruiken en tradities waar men vroeger zo naar uit keek, worden vandaag de dag opgeslorpt door nieuwe vormen van tijdsbesteding en ontspanning. De tijd tikt verder en dat dient nu eenmaal geaccepteerd te worden.

“Hu? Speel jij in een fanfare?” vragen mensen vaak. Waarbij ze een ondeugende glimlach tonen of eventjes grinniken. Dan vertel ik dat mijn vader er al deel van uitmaakt nog voor hij achttien jaren oud was. En dat zo bij velen het geval is. Kinderen werden er automatisch ook lid van, wat na jaren resulteerde in een spinnenweb van bloedverwanten en goede vrienden.

Elke zondag repetitie om tien uur ’s ochtends. Sommigen zijn elke week trouw aanwezig. De jongere generatie durft het al eens laten afhangen van het feestje de avond ervoor. Aan de toog verzamelen de oudsten zich nadien met hun welverdiende pint. Ze vragen aan de jeugd hoe het op school gaat en maken af en toe een schunnig mopje. Mensen worden hartelijk gefeliciteerd bij goed nieuws en wanneer iemand geconfronteerd wordt met onverbiddelijke dieptepunten, leeft men oprecht mee. Mijn vereniging heeft al enkele keren aangetoond dat ze niet alleen muzikaal, maar ook op persoonlijk vlak een team vormt. Waar ik als jonge spring-in-’t-veld alleen maar een voorbeeld aan kan nemen.

Deel uitmaken van een vereniging zorgt ervoor dat scheidingslijnen tussen leeftijden vervagen en uiteenlopende leefwerelden vermengen. Ook bij de voetbalploegen en jeugdbewegingen in de buurt zie ik dit patroon terugkeren. Het is een fijne ervaring om banden op te bouwen met mensen met andere visies en daar dan ook dingen uit te leren. Om te horen dat ze twintig jaar geleden op babybezoek zijn gekomen en mij al die jaren hebben zien opgroeien tot wat ooit nog zal evolueren naar een dame.

Na het weekend, op zondagavond tijdens het tandenpoetsen, dacht ik na over het afgelopen weekend. Met wie ik samen de handen uit de mouwen had gestoken, met wie ik praatjes gemaakt had over koetjes en kalfjes en met wie ik gelachen had om onbenullige zaken. Het was misschien niet het hipste evenement in de buurt, maar voor mij was het een familieweekend.

Het groene monstertje

Oh, ik haat het. Dat het groene monstertje dat ik zo verafschuw zich af en toe als een parasiet in mij nestelt en elke gedachte manipuleert. Maar zo gaat dat met emoties. Ze kloppen niet beleefd aan en wachten al zeker niet tot je toestemming geeft een stempel te drukken op je gemoedstoestand. En wat me nog het meeste stoort, is dat er pas na razernij, gepieker en een goed gesprek terug plaats gemaakt kan worden voor kleuren die me beter staan. Zachter en frivoler.

Ik zie het bij mezelf en om me heen, in ontelbaar veel tinten en gradaties van intensiteit. Waarbij er ook nog eens een onderscheid gemaakt moet worden tussen diegenen die de capaciteit bezitten dit te verbergen en de mensen wiens gezicht boekdelen spreekt. Zij die er zelf mee leren omgaan in stilte en zij die het niet kunnen laten te snauwen. Zij die een poging doen enthousiast te zijn en zij die datgene waar ze zo jaloers om zijn met opzet mijden als gespreksonderwerp.

Het is zo jammer dat sommige mensen weigeren op tijd in te grijpen. Want zij die een ander niets gunnen tenzij ze er zelf aan bij hebben gedragen, zijn al zodanig veel groene fases gepasseerd dat de reisweg terug verscheidene nachten vereist. Het groene monstertje in de hoek kunnen zetten en terechtwijzen, getuigt van een sterke persoonlijkheid. En wie wil er nu zwak genoemd worden? Kruip je niet elke avond doodmoe in bed wanneer je een hele dag gefocust hebt op de negatieve aspecten van anderen om je zelfbeeld op te monteren? 

Wanneer het zover is, moet het relativeringsvermogen zijn werk doen. Met een scheutje zelfvertrouwen, aangezien mensen die hun eigen talenten en gebreken kennen, vaak beter kunnen inschatten wanneer ze terecht jaloers zijn en wanneer dit maar een teken van zwakte is.

Het is een kunst om het kleurenpalet van emoties in evenwicht te houden. Of iemand ooit creatief genoeg zal zijn dat evenwicht perfect te behouden, weet ik niet. Ik ben nog lang niet zover, in ieder geval. Maar ik doe mijn best, en het lukt me aardig goed. Hoewel ik me op dit moment afvraag waarom het meisje over me in godsnaam van die lange benen heeft en ik niet. 

Twintig

Twee meisjes op een gezellig terras in hartje Brussel. Slurpend van glaasjes rosé-wijn en met gifgroene guacamole voor hun neus. Twintig en zo goed als twintig. Alsof we een onmogelijk te ontcijferen geheimtaal spreken, smijten we onderwerpen op tafel, terwijl we het plaatsvervangend schaamrood op de buurman zijn wangen negeren. We zijn jong en voelen ons jong.

Afwisselend tussen oppervlakkige uitspraken en diepe gesprekken over dromen najagen, zitten we meer dan drie uur aan dat tafeltje. Terwijl zon en lichtgrijze wolken boven onze hoofden strijden, wijzen we elkaar respectvol op talenten en gebreken. Elk neemt afzonderlijk de rol van moraalridder op zich en helpt de ander therapeutisch een oplossing te bieden op kleine en minder kleine problemen. Zoals vriendinnen horen te doen.

We hebben ’s ochtends spontaan de trein genomen naar de hoofdstad en zijn zonder specifiek doel beginnen kuieren door de karakteristieke straten. Hebben uren gewandeld zonder kaart in onze handen en zijn daarom ook op regelmatige basis op een eerder gepasseerd punt gestrand. Maar dat geeft niet, we hebben tijd en zullen nog lang tijd hebben. We zijn impulsief een winkel binnengelopen en hebben giechelend uitdagende baljurken gepast. Stuntelend op torenhoge hakken geposeerd en onze plots zo lange benen bewonderd in de spiegel. Als vijfjarigen die de schoenkast van hun moeder ontdekken en niet kunnen wachten tot ze later zelf met elegante hakjes door de hal paraderen.

Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo gelukkig ben geweest. Drie weken geleden heb ik de leeftijd bereikt waar ik zowel enthousiast naar toeleefde als angstig voor terugdeinsde. En verdomme, wat is ie schoon. Ik vind het magnifiek hoe deze tijd er zowel eentje is van vaste waarden als van verandering. Vriendschappen beginnen na drukke puberjaren stilletjes aan vorm te krijgen. Zij waarop je hebt kunnen bouwen, blijven in het gezichtsveld. Anderen gaan hun eigen weg en trekken vaker op met meer overeenstemmende karakters. Mensen van mijn leeftijd fladderen als vlinders avontuurlijk van de ene bloem naar de andere of kiezen net omgekeerd voor geborgenheid. En wisselen zonder al te veel bijkomstige problemen de rollen om wanneer ze zich daartoe genoodzaakt voelen.

Op de trein huiswaarts lachen we om vroeger. Dat we, met wat we nu weten, dingen echt wel wat anders zouden aangepakt hebben. En dat we dat over tien jaar waarschijnlijk ook zullen denken. Maar dat het ook mooi is om terug te denken aan hoe leerzaam de momenten waren, elke keer dat we met een knal de bal teruggekaatst kregen na domme beslissingen. Twintig zijn is fier op het midden van een kruispunt staan en rustig de tijd nemen om te bepalen welke weg je inslaat. En ik heb absoluut geen haast.

Later

Later, wanneer rimpels op mijn voorhoofd de hindernissen en hoogtepunten van mijn leven symboliseren, is de kans reëel dat dementie tot my middle name zal behoren. Dat ik, net zoals mijn grootmoeder enkele jaren geleden, discussies zal voeren in het verzorgingstehuis over wie het plastieken plantje voor de laatste keer water heeft gegeven. Dat ik de verjaardagen, leeftijden, namen, familiebanden niet meer kan herkennen. Dat ik niet meer nieuwsgierig uit kan kijken naar wat komen zal, noch tevreden terug kan blikken op wat al geweest is.

Angst voor de ziekte heb ik niet. Dat is trouwens ook nutteloos. Wat het levenspad kruist dient aanvaard te worden. Wel heb ik allesbehalve zin in de bejaarden-status. Ik wil ondanks mijn ziekte het gevoel hebben dat ik vrij ben en onbezonnen, aangezien ik daar op twintigjarige leeftijd ook zoveel belang aan hecht. Op dit moment lijkt het mij onwaarschijnlijk dat de claustrofobische verstikking van één enkele optie over tientallen jaren weggeëbd zal zijn.

De oplossing hiervoor heb ik al uitgebreid uitgedacht. Aan mijn toekomstige verpleegsters en geliefde familie: breng mij als daguitstap naar de luchthaven. Geef me een koffertje en – vooral dit is belangrijk om bizarre verdwijningen te vermijden – géén echt ticket. Dan kan ik zenuwachtig langs de douane gaan. Wetende dat ik geen verboden middelen op zak heb, maar toch angstig voor de hardhandige aanpak in het kantoortje verderop in het gebouw. Dan kan ik minutenlang turen naar de wijdverspreide bestemmingen. Wegdromen bij exotisch warme en feeërieke koude reizen. Een veel te dure Latte kopen in de koffieshop en deze opslurpen door het onhandige kleine openingetje. Stuntelig met mijn koffertje over de tenen van reizigers rijden en verlegen glimlachen. En terwijl ik voldaan vliegtuigen bewonder, indommelen op één van de ontelbaar vele bankjes.

Haal me op wanneer ik slaap. Neem me terug mee huiswaarts en laat mijn fantasie zijn slag slaan. Life is a journey. Ik zal wakker worden en gereisd hebben. Er uren over kunnen praten tegen mijn collega-patiënten aan de grote, ronde tafel in de leefruimte. Opscheppen over de avonturen die ik heb meegemaakt. Of net niet. Ik kan het ook vergeten zijn. Zekerheden hierover bestaan jammer genoeg niet. Maar ik ben vrij geweest. Een hele dag. Omringd door mogelijke avonturen, niet door geraniumplanten. Een leugentje om bestwil, een illusie, dat wel. Maar mijn glimlach die dag zal oprecht geweest zijn.